{{ message.message }}
{{ button.text }}

Ik was zwanger toen ik werd neergeschoten DEEL 2

Hoe mijn tweejarige avontuur in het Midden-Oosten anders afliep dan ik ooit kon bedenken...

Afbeelding blog 'Ik was zwanger toen ik werd neergeschoten DEEL 2'

Zoals ik al in mijn eerste blog vertelde, werd ik tijdens een uit de hand gelopen demonstratie in Palestina, neergeschoten door een Israëlische soldaat. Ik bleek op dat moment 10 weken zwanger. Wat ik nog niet eerder vertelde was de afloop voor de jongen die ook werd geraakt. Zijn lot liet me zeker niet koud. Maar ik vertel dit verhaal chronologisch en vlak na de schietpartij en de ontdekking van mijn zwangerschap sloeg me totaal uit het veld op dat moment. Ik stopte die informatie meteen weg. Een dag na de demonstratie hoorde ik het nieuws. Mohammad Abu Zeina (15 jaar) was aan zijn verwondingen overleden. Wanneer ik nu nog aan hem denk. Zijn knappe getinte gezicht, de ogen gesloten en een Palestijnse sjaal doordrenkt in bloed. De laatste en ook enige woorden die hij tegen me zei. Het doet pijn. En ik voel vooral onmacht. Nee, ik denk niet dat ik hem had kunnen redden. Maar ik voel me wel schuldig dat ik die weken na zijn dood niet veel aan hem heb gedacht. Mijn eigen leven lag overhoop. Maar is dat een excuus?

Ik was thuis. Althans, ik kwam weer even in mijn ouderlijk huis te wonen. Het was halverwege de zomer en iedereen was op vakantie. Het heeft ruim een week geduurd voordat ik mijn familie over mijn zwangerschap durfde te vertellen. Zij reageerden geschokt. Blij geschokt, dat wel. Maar wel geschokt. Want hoe moest het nu verder? Waar moest ik gaan wonen, kon ik nog wel afstuderen, hoe kwam ik nu nog aan een baan? Er kwam nogal wat op me af. En dan had ik het nog niet eens verteld aan de vader van mijn baby.

Die zomer ben ik dag in dag uit aan mijn thesis gaan werken. Er gingen dagen voorbij zonder dat ik naar buiten ging, of mensen sprak. Ik moest afstuderen. Toch stond ik iedere dag voor de spiegel en keek vol opwinding, maar ook met verdriet naar mijn gestaag groeiende buik. Maar verder ondernam ik niets. Ik kocht geen babykleertjes, ik maakte geen lijstjes voor de uitzet. Ik was alleen maar aan het werk. Een paar weken na die eerste echo begon ik angsten te ontwikkelen. Angst voor het verlies van mijn baby. Ik was dan wel de 12-wekengrens voorbij, maar er kon nog van alles gebeuren. Toch? De baby was nog te klein om hem te voelen trappelen. Mijn buikje was ook nog erg klein en ik was niet meer misselijk. Aan niets was te merken dat ik zwanger was. En ik durfde er ook niet van te genieten. Mijn leven was gewoonweg een grote puinhoop.

Ondertussen had ik voor mezelf besloten dat ik mijn ex-vriend zou inlichten wanneer ik de 20-weken echo achter de rug had. Enerzijds om het voor me uit te schuiven. Anderzijds om zeker te weten - of in ieder geval bijna zeker te weten - dat dit kind er ook echt zou komen.

Op de dag van de 20-weken echo, begaf ik het bijna van de zenuwen. Ik zat trillend als een rietje naast mijn moeder in de wachtkamer. "Wat nou als er iets mis is?", vroeg ik keer op keer. "Er is niets mis", zei ze dan steeds weer. Maar het stelde me niet gerust. Voor mijn gevoel zaten we wel een uur te wachten in de wachtkamer voordat de echoscopiste me kwam halen. Alles bleek in orde. Het was (zoals ik allang aanvoelde) een jongetje.

Vanaf dat moment begon mijn zwangerschap ineens te ‘leven’. Ik voelde mijn kindje al wel een paar weken, maar nu begon het idee van een kind ineens vorm te krijgen. Ik was zwanger van een jongen! Ik voelde ineens zoveel liefde voor mijn kind. Ik kocht die dag de halve Hema leeg.

Een week na de echo schreef ik een brief aan mijn ex. We hadden nog veel contact, al was het puur vriendschappelijk. Maar hem dit vertellen. Dat kon ik niet over de telefoon. Ik durfde het niet. Ik schreef hem een hele lange brief waarin ik alles uitlegde. Of althans, dat probeerde ik. Ik wist immers helemaal niet hoe ik zwanger had kunnen worden. Was de Nuvaring stuk gegaan? Waarom bleef ik gewoon ongesteld worden? Ik had er zoveel vragen over, maar er was niemand die ze voor me kon beantwoorden.

Het werd een heel emotionele brief. Ik vertelde hem mijn angst, mijn pijn, mijn verdriet. Ik legde hem uit dat ik begreep dat dit een enorme schok voor hem was. Hij is moslim, komt uit een cultuur waarin het krijgen van kinderen buiten het huwelijk een absoluut taboe is. Een relatie is daar zelfs al op het randje. In principe moet je je gelijk verloven en dan nog mag je vaak niet ‘alleen’ met elkaar zijn. Onze relatie werd dan ook strikt geheim gehouden voor zijn familie. Trouwen kon pas, volgens hem, wanneer een man voor een vrouw kon zorgen. Hij kon dat niet op dat moment. Hij was tandarts, maar had pas net een eigen praktijk opgericht. Hij leefde nog van zijn moeders geld. Erger nog: hij woonde (zoals bijna elke ongetrouwde Palestijn) nog thuis. Bij zijn moeder. Mijn god, wat heb ik me hier die jaren aan geërgerd. Nu ik dit weer schrijf, doe ik dat nog steeds. Frustratie ten top. Ik hield van hem. Ik hield van hem met heel mijn hart. Maar het voelde vaak alsof weer ik 15 jaar was en stiekem een vriendje had. Goed, ik dwaal af. Ik schreef hem die brief, die ik hem ’s avonds mailde.

Ik had nooit verwacht dat ik een blije of begripvolle reactie hierop zou krijgen. Ik wist allang dat dit het ergste scenario voor hem was, dat hij zich kon bedenken. Maar de reactie die hij me gaf was eerlijk gezegd nog erger dan ik me kon voorstellen. Hij schreef dat hij me haatte. Hij vervloekte de dag dat hij me ontmoette. Hij vervloekte het leven. Daarna schreef hij dat ik beter kon doen alsof hij dood was.

Daar zat ik dan met mijn zwangere buik en mijn telefoon in mijn hand als versteend op de bank. Ik probeerde zijn reactie te relativeren. Hij zou hier nog wel op terugkomen. Het was immers zijn eerste reactie. Die nacht heb ik mezelf in slaap gehuild.

Mijn ex kwam niet terug op zijn woorden. Sterker nog: ik hoorde helemaal niks meer van hem. De volgende dag zag ik dat hij me van Facebook had verwijderd. Oh well. Maar verder bleef het angstvallig stil. Ik probeerde me weer op mijn thesis te richten en ondertussen richtte ik de babykamer (in mijn moeders huis) in.

Het was eind november 2013. Ik stond hoogzwanger mijn thesis te verdedigen. Die ging (hoe kan ’t ook anders) over de Journalistiek in Palestina. Toen ik de jury mijn verhaal over de schietpartij en mijn plotselinge zwangerschap vertelde, zag ik ze stijl achterover slaan. Als mijn portfolio en thesis wat matig geweest waren, had ik ze hiermee alsnog over de streep getrokken, vermoedde ik. Een paar uur later werd ik teruggeroepen. Ik was geslaagd. Cum Laude. Voor mijn thesis en portfolio kreeg ik een 9. Ik kon mijn geluk niet op. Ik was geslaagd! Een maand voordat ik zou bevallen.

Het was 9 januari 2014. Om 5 uur ’s ochtends werd ik wakker van wat irritante krampen in mijn buik. Ik was 2 dagen daarvoor uitgerekend. Zou het? Aan het eind van de ochtend had ik al 3 cm ontsluiting, terwijl de pijn eigenlijk heel goed te doen was. Oh joh, dacht ik. Is dit het? Ik wilde in het ziekenhuis bevallen. Ik was al angstig dat ik mijn baby alsnog zou kwijtraken. Ik wilde ook zo veilig mogelijk bevallen, dacht ik. Mijn moeder, vriendin en twee zussen gingen mee. Oh en ook twee verloskundigen. Het was een drukke boel in de verloskamer, maar oh zo gezellig. Nou ja, totdat ze mijn vliezen doorprikten omdat het maar niet opschoot. In een mum van tijd kwamen de weeën ineens echt op gang. 

Het was inmiddels 18 uur. Ik wist niet wat me overkwam! Al gauw kon ik niet meer lopen of staan van de pijn. Ik kon in bad gaan (ja, er was ook een bad). Dat wilde ik wel. Maar na vijf minuten hield ik ook dat niet meer vol. Wat een vreselijke pijn. Toen ik uit bad op handen en knieën de verloskamer in kroop, ging ineens de deur open en kwam die verdomde koffievrouw binnen met haar karretje. “Niet nu!”, gilde mijn verloskundige. Mijn god, ze zal wel gedacht hebben. Zie je daar ineens een naakte kruipende vrouw op de grond voor je. Anyway: met veel moeite werd ik op een bed vastgesnoerd. Ik had inmiddels persweeën, maar ik had nog geen 10 cm ontsluiting, dus ik moest ze inhouden. Eh ja, hoe dan? Ik gilde en schreeuwde en smeekte dat ik een keizersnee wilde. Of een ruggenprik. Maar ze moesten iets doen, want dit hield ik niet vol. Na een uur las ik verwarring in de ogen van mijn verloskundige. “Er klopt iets niet”, hoorde ik haar zeggen. 

Ik werd aangesloten op een hartmeter, een echoapparaat en nog wat frustrerende geluidmakende apparaten. Talloze handen gingen bij me naar binnen en probeerden mijn kind te zoeken in het geboortekanaal. Ondertussen duwde zijn hoofdje bij elke wee tegen mijn onderste wervels aan. Precies die wervels waar die kogel tussen was beland. Ik gilde het uit van de pijn en zei, of nee, schreeuwde dat hij er echt niet uit kon. Het klopt niet. Het voelde niet goed. Uiteindelijk hoorde ik ze discussiëren en werd de gynaecoloog opgepiept. Niet veel later stonden er 9 mensen om mijn bed. De gynaecoloog zei dat ik gelijk had. De baby kon er niet uit. Hij lag helemaal verkeerd in het geboortekanaal en hij moest heel snel gedraaid worden. “Nee!”, schreeuwde ik, “ik wil een keizersnee!” De gynaecoloog schudde haar hoofd. Of, ik denk dat ze dat deed, want ik hield mijn ogen de hele bevalling stijf dichtgeknepen. Ze gaf in ieder geval niet toe. 

Weer gingen er talloze handen naar binnen en kermde ik van de pijn. En toen mocht ik eindelijk persen. Alleen: de persweeën waren verdwenen. Ik had nog wel weeën, maar niks meer wat leek op die sterke persdrang die ik eerder voelde. “Je MOET persen nu.”, zei de gynaecoloog. De eerste 3458 pogingen werd er tegen me gezegd, geschreeuwd, gejammerd dat ik het niet goed deed. Ik moest niet naar mijn hoofd persen, ik moest harder persen, ik moest zoveel, maar niets leek te lukken. Plotseling werd ik heel licht in mijn hoofd. Het voelde alsof de wereld om me heen begon te draaien en de pijn werd langzaam minder. “Ze valt weg! We moeten de baby NU halen. Maak een OK klaar”, hoorde ik nog iemand zeggen. Ik voelde handen op mijn gezicht. Koud. Water? Wat was dat? Iemand legde koude washandjes op mijn gezicht. Ik kwam weer iets bij. “Mevrouw”, zei de gynaecoloog tegen me, “Ik heb hier een vacuümpomp. We gaan dit samen doen, oke?” Prima, dacht ik. Ik wil gewoon dood. Nu. 

De eerste vacuümpomppoging mislukte. “Niks aan de hand! We doen het nog een keer”, zei ze meer tegen zichzelf dan tegen mij. En toen, ineens, binnen een paar seconden, was hij er ineens. Ik keek met één oog naar boven, waar de verloskundige mijn kind omhoog hield en wachtte tot hij ging huilen. Dat deed hij. Ik voelde een golf van opluchting. Nee, het was meer dan dat. Het voelde even alsof al mijn zorgen, al mijn pijn, al mijn stress en al mijn angst heel even van me afgleden. Ineens lag daar een prachtig klein jongetje met een bos zwart haar op mijn buik. Ik denk, nee ik weet, dat dit het allermooiste moment van mijn leven was. Hoe cliché het ook altijd klinkt als een ander het zegt. Het klopte in mijn geval echt. Op dat moment kon het me even niet schelen dat de vader van mijn kind er niet bij was. Er niet bij wilde zijn. Het kon me niet schelen dat ik vanaf dat moment een alleenstaande moeder zou zijn. Het kon me niet schelen dat ik nog geen eigen huis had. Het kon me niet schelen dat ik geen baan had. Niets kon me op dat moment meer schelen. Alleen hij. Mijn eigen kind. Helemaal zelfgemaakt.

Wordt vervolgd…

*Mamaplaats faciliteert een open en voor iedereen toegankelijk social platform. Zij is niet verantwoordelijk voor inhoud en authenticiteit van posts. Algemene voorwaarden.

Tags: #Mama

Login bij Mamaplaats
Login

Nog geen account bij Mamaplaats?
Registreren
profiel aanmaken

Ik heb al een account.
Ja, dat wil ik

Nee, dank je